Een verlengd weekend is wat wij Nederlanders een lang weekend noemen: een weekend waaraan een vrije maandag of vrijdag is toegevoegd. Indien bijvoorbeeld de donderdag een feestdag is, en een werknemer een korte vakantie creëert door op vrijdag vrijaf te nemen, dan zegt men in Vlaanderen dat hij ‘de brug maakt’.
De industrieel Christian van den Heuvel wuift zijn vrouw en kinderen uit, zij gaan het lange (sorry: verlengde) weekend doorbrengen aan de kust, hijzelf heeft nog wat klusjes op te knappen want zijn bedrijf wordt bedreigd met een faillissement. Maar dan vallen twee gemaskerde mannen het huis binnen: als zij de industrieel dwingen zijn handtekening te zetten onder een reeks papieren, wordt het duidelijk dat de zaak iets te maken heeft met het dreigende faillissement. De overvallers, Jos en Nico, zijn stakende werknemers, die Van den Heuvel willen dwingen om geld te storten op een rekening van een fonds voor hun – eveneens stakende – collega’s. Maar Verlengd Weekend is zo’n film waarin van alles misgaat. Eerst krijgt men te maken met een algemene stroomuitval, waardoor het geld niet kan worden overgemaakt (en Jos en Nico hun actie tot maandagmorgen moeten voortzetten), en dan blijkt plots waarom Van den Heuvel niet is meegegaan naar de kust: hij had een afspraakje met zijn piepjonge minnares. En wie is die minnares? Toch niet de dochter van één van de gijzelnemers zeker?
Verlengd Weekend begint als een klucht, maar slaat al snel een meer ingetogen toon aan, waardoor het allemaal veel pakkender wordt, en ook de humor beter uit de verf komt. De film is zelden uitbundig, maar steeds grappig, en nooit zwaartillend, maar toch aangrijpend. Het scenario is opgebouwd uit een reeks weinig opmerkelijke wendingen, maar ze volgen elkaar zo soepel en vlotjes op, dat men toch steeds aangenaam wordt verrast. Het slot is wat teveel in mineur, plots wordt het dan een beetje prekerig, maar ach, je hebt dan al een erg leuk comedy drama achter de rug. Verlengd Weekend was niet echt het debuut van regisseur Herbots, maar hij had voornamelijk ervaring als televisieregisseur, en had verder enkel wat obscuur cinefiel werk op zijn naam staan. Het was daarom een verrassing dat hij een vlotte publieksfilm wist te draaien. Natuurlijk dankte hij veel aan zijn cast: de routiniers Jan Decleir en Koen de Bouw (in een ondankbare rol, hij zit de meeste tijd vastgebonden op zijn stoel) zijn weer eens voortreffelijk, en ook de relatief onbekende (en jongere) acteurs komen erg goed uit de verf: Wouter Hendrickx acteert zeer naturel als de ietwat simpele compaan van Decleir, en Veerle Baetens bleek zelfs een openbaring als de dochter/minnares. Je kunt moeilijk naar haar kijken zonder verliefd op haar te worden, ook al is ze zeker geen klassieke schoonheid. Een probleem zou kunnen zijn dat de humor typisch Vlaams is. Eigenlijk is alles aan deze film typisch Vlaams: het taaltje (ondertitels activeren!), de villa van de industrieel, diens afkomst en mentaliteit, de mentaliteit en het gedrag van de politie, de titel, de warme soep voor de gijzelnemers (die eigenlijk stakers zijn, en stakers krijgen altijd soep aangeboden in Vlaanderen) en nog een heleboel meer. Soep lust ik niet, voor de rest is deze film warm aanbevolen.